2
Foto door freestocks.org via Unsplash

Lees hier een exclusieve voorproef uit het nieuwe boek van Heather Morris, auteur van bestseller ‘De tatoeëerder van Auschwitz’

Na haar wereldwijde bestseller ‘De tatoeëerder van Auschwitz’ komt de Nieuw-Zeelandse auteur Heather Morris met ‘Cilka’s Keuze’. Benieuwd of deze historische roman even spannend is als zijn voorganger? Wij mogen al een tipje van de sluier oplichten en jou het eerste hoofdstuk laten lezen. Veel plezier! 

Concentratiekamp Auschwitz, 27 januari 1945

Cilka staart naar de man die voor haar staat, een soldaat van het leger dat het kamp is binnengetrokken. Hij zegt iets in het Russisch, en daarna in het Duits. Hij torent boven het achttienjarige meisje uit. ‘Du bist frei.’ Je bent vrij. Ze weet niet of ze de woorden echt heeft gehoord. De enige Russen die ze hiervoor in het kamp heeft gezien, waren uitgemergeld, stervend van de honger – krijgsgevangenen.

Zou vrijheid werkelijk bestaan? Is het mogelijk dat deze nachtmerrie is afgelopen? Wanneer ze niet reageert, buigt de soldaat zich naar haar toe en legt hij zijn handen op haar schouders. Ze krimpt ineen. Vlug trekt hij zijn handen terug. ‘Sorry, ik wilde je niet laten schrikken.’ Hij gaat verder in hakkelend Duits. Hoofdschuddend lijkt hij te concluderen dat ze hem niet verstaat. Hij maakt een weids gebaar en spreekt de woorden nog een keer langzaam uit. ‘Je bent vrij. Je bent veilig. Wij zijn het Sovjetleger en we zijn gekomen om jullie te helpen.’ 

‘Ik begrijp het,’ fluistert Cilka en ze trekt de jas die haar tengere lichaam verbergt, wat strakker om zich heen. ‘Versta je Russisch?’ Cilka knikt. Als kind heeft ze een Oost-Slavisch dialect geleerd, Roetheens. ‘Hoe heet je?’ vraagt de man vriendelijk. Ze kijkt op en zegt met heldere stem: ‘Mijn naam is Cecilia Klein, maar mijn vrienden noemen me Cilka.’ ‘Wat een prachtige naam,’ zegt hij. Het is vreemd om naar een man te kijken die niet een van haar bewakers is en die er toch zo gezond uitziet. Zijn heldere ogen, zijn volle wangen, het blonde haar dat onder zijn pet uit piept. ‘Waar kom je vandaan, Cilka Klein?’

De herinneringen aan haar oude leven zijn vervaagd, wazig geworden. Op een gegeven moment was het te pijnlijk geworden om terug te denken aan haar voormalige leven met haar familie, in Bardejov. ‘Ik kom uit Tsjecho-Slowakije,’ zegt ze met gebroken stem. 

Concentratiekamp Auschwitz-Birkenau, februari 1945

Cilka zit in de barak, zo dicht mogelijk bij de ene kachel die warmte biedt. Ze weet dat ze de aandacht heeft getrokken. De andere vrouwen die nog konden lopen, onder wie haar vriendinnen, zijn een week geleden door de ss het kamp uit gedreven. De overgebleven gevangenen zijn ziek, uitgemergeld, of het zijn kinderen. En dan is Cilka er nog. Het was de bedoeling dat ze allemaal zouden worden doodgeschoten, maar in hun haast om zelf weg te komen, hebben de nazi’s hen aan hun lot overgelaten.

De soldaten hebben gezelschap gekregen van andere functionarissen – agenten van de contra-inlichtingendienst, heeft Cilka gehoord, hoewel ze niet precies weet wat dat betekent – om een situatie het hoofd te bieden waar de gemiddelde soldaat niet voor is opgeleid. Het is de taak van de Sovjetdienst om de orde te bewaren, in het bijzonder met het oog op bedreigingen voor de Russische staat. Hun rol, heeft Cilka van de soldaten begrepen, is om alle gevangenen te ondervragen en vast te stellen of ze hebben gecollaboreerd of hebben samengewerkt met de nazi’s. Het terugtrekkende Duitse leger wordt beschouwd als vijand van de SovjetUnie, en iedereen die mogelijk een connectie met ze heeft, is automatisch ook een vijand van de staat.

Een soldaat komt het blok binnen. ‘Kom mee,’ zegt hij, wijzend naar Cilka. Een hand grijpt haar rechterarm vast en sleurt haar overeind. Er is inmiddels een aantal weken verstreken en de bewoners van de barak zijn 11 eraan gewend geraakt dat er dagelijks mensen worden opgehaald om te worden ondervraagd. In Cilka’s ogen is ze gewoon ‘aan de beurt’. Ze is achttien jaar oud en ze kan alleen maar hopen dat ze zullen begrijpen dat ze geen andere keus had dan te doen wat ze moest doen om te overleven. Geen andere keus dan de dood. Ze kan alleen maar hopen dat ze snel terug kan keren naar haar thuis in Tsjecho-Slowakije, dat ze verder zal kunnen met haar leven.

Wanneer ze het gebouw wordt binnengeleid dat de Russen als hoofdkwartier gebruiken, werpt Cilka een voorzichtige glimlach naar de vier mannen die tegenover haar achter een tafel zitten. Ze zijn hier om haar kwaadaardige overmeesteraars te straffen, niet haar. Hun aanwezigheid is goed nieuws; er komt eindelijk een eind aan de verliezen. Haar glimlach wordt niet beantwoord. Het valt haar op dat de uniformen van de mannen enigszins verschillen van die van de soldaten buiten. Op hun schouders zitten blauwe epauletten, en hun petten, die ze op de tafel voor zich hebben liggen, hebben een lint in dezelfde kleur blauw met een rode streep.

Uiteindelijk glimlacht een van hen naar haar en hij spreekt haar met vriendelijke stem aan. ‘Wil je ons vertellen hoe je heet?’ ‘Cecilia Klein.’ ‘Waar kom je vandaan, Cecilia? Land en woonplaats.’ ‘Ik kom uit Bardejov in Tsjecho-Slowakije.’ ‘Wat is je geboortedatum?’ ‘17 maart 1926.’ ‘Hoelang ben je hier al?’ ‘Ik ben hier gekomen op 23 april 1942, vlak na mijn zestiende verjaardag.’ De agent zwijgt even, bestudeert haar. ‘Dat is een hele tijd geleden.’ ‘Een eeuwigheid, op deze plek.’ ‘En wat heb je hier gedaan sinds april 1942?’ ‘In leven blijven.’ ‘Ja, maar hoe heb je dat gedaan?’ Hij neemt haar met een schuin hoofd op. ‘Zo te zien heb je geen honger geleden.’

Cilka geeft geen antwoord, maar ze voelt aan haar haar, dat ze zelf weken geleden heeft afgesneden, nadat haar vriendinnen het kamp uit waren gedreven. ‘Heb je gewerkt?’ ‘Ik heb gewerkt aan overleven.’ De vier mannen kijken elkaar aan. Een van hen pakt een vel papier en doet net alsof hij leest wat erop staat. ‘We hebben een rapport over jou, Cecilia Klein,’ zegt hij. ‘Daarin staat dat je in leven bent gebleven door je aan de vijand te prostitueren.’ Cilka zegt niets. Ze slikt moeizaam, kijkt van de ene man naar de volgende, probeert te bevatten wat ze zeggen, wat ze verwachten dat zij zegt. Een andere man doet zijn mond open. ‘Het is een eenvoudige vraag. Heb je je door de nazi’s laten neuken?’ ‘Ze waren mijn vijand. Ik was hun gevangene.’ ‘Maar heb je je door de nazi’s laten neuken? We hebben gehoord van wel.’ ‘Zoals zoveel anderen in het kamp was ik gedwongen om te doen wat me werd opgedragen door degenen die me gevangenhielden.’

De eerste man staat op. ‘Cecilia Klein, we sturen je naar Kraków, en daar wordt beslist over je lot.’ Hij weigert haar nu aan te kijken. ‘Nee!’ zegt Cilka en ze komt ook overeind. Dit kan niet waar zijn. ‘Jullie kunnen me dit niet aandoen! Ik ben een gevangene in het kamp!’ Een van de mannen, die tot nu toe niets heeft gezegd, vraagt rustig: ‘Spreek je Duits?’ ‘Ja, een beetje. Ik ben hier drie jaar geweest.’ ‘We hebben gehoord dat je ook nog een heleboel andere talen spreekt, terwijl je Tsjecho-Slowaakse bent.’

Cilka protesteert niet, ze fronst haar voorhoofd, begrijpt niet waarom dit van belang is. Ze heeft talen geleerd op school, en andere heeft ze opgepikt in het kamp. De mannen wisselen weer blikken. ‘Dat je andere talen spreekt, is voor ons aanleiding om te denken dat je een spion bent en dat je hier bent om informatie door te spelen aan wie er dan ook voor wil betalen. In Kraków zal dit verder worden onderzocht.’ ‘Je kunt een veroordeling tot langdurige dwangarbeid verwachten,’ zegt de eerste man. Het duurt even voordat Cilka kan reageren en dan wordt ze bij de arm gegrepen door de soldaat die haar naar dit vertrek heeft gebracht, en onder luidkeels protest weggesleept. ‘Ik werd gedwongen, ik werd verkracht! Nee! Alstublieft!’ De mannen reageren echter niet; ze lijken haar niet te horen. Ze zijn al weer bezig met de volgende.

Montelupich-gevangenis, Kraków, juni 1945

Cilka zit gehurkt in de hoek van een vochtige, stinkende cel. Het kost haar moeite om bij te houden hoeveel tijd er verstrijkt. Dagen, weken, maanden. Ze knoopt geen gesprekken aan met de vrouwen om haar heen. Wanneer de bewakers iemand horen praten, wordt die persoon weggehaald en met blauwe plekken en gescheurde kleren teruggebracht. Houd je gedeisd, maak je klein, houdt ze zichzelf voor, tot je weet wat er gebeurt, en wat je moet zeggen en wat juist niet. Ze heeft een reep stof van haar jurk gescheurd om voor haar neus en mond te binden, in een poging om de stank van menselijke uitwerpselen, vocht en schimmel te dempen.

Op een dag halen ze haar uit de cel. Ze is zo verzwakt door de honger en de voortdurende waakzaamheid dat de gedaantes van de bewakers en de muren en de vloer allemaal onwerkelijk lijken, als in een droom. Ze staat samen met andere gevangenen in een gang in de rij en schuifelt langzaam richting een deur. Heel even kan ze tegen een warme, droge muur leunen. De gangen zijn verwarmd, voor de bewakers, maar de cellen niet. En hoewel het weer buiten inmiddels mild moet zijn, lijkt de kou van de nacht de hele dag in de gevangenis te blijven hangen.

Wanneer Cilka aan de beurt is, gaat ze een vertrek binnen waar een officier achter een bureau zit, zijn gezicht beschenen door groenachtig licht uit een enkele lamp. De soldaten bij de deur gebaren dat ze naar het bureau moet lopen. De officier kijkt op zijn papier. ‘Cecilia Klein?’ Ze kijkt om zich heen. Ze is alleen in het vertrek met drie potige mannen. ‘Ja?’ De man kijkt omlaag en leest iets op van een papier. ‘Je bent schuldig bevonden aan samenwerking met de vijand, als prostituee en als spion. Je bent veroordeeld tot vijftien jaar dwangarbeid.’ Hij ondertekent het papier. ‘Zet hier je handtekening om te laten zien dat je het hebt begrepen.’

Cilka heeft precies begrepen wat de man zei. Hij had Duits gesproken in plaats van Russisch. Is dit een list, denkt ze. Ze voelt de ogen van de soldaten bij de deur in haar rug prikken. Ze weet dat ze iets moet doen. Het lijkt of er niets anders op zit dan te doen wat ze van haar eisen. De man draait het vel papier om en wijst naar een stippellijntje. De letters erboven zijn cyrillisch – Russisch schrift. Zoals zo vaak in haar jonge leven ziet ze zich voor twee mogelijke keuzes gesteld: de ene is het smalle pad dat zich voor haar opent; de andere, de dood.

De man geeft haar een pen en kijkt dan verveeld naar de deur, wachtend op de volgende persoon in de rij – voor hem is dit gewoon zijn werk. Met trillende hand ondertekent Cilka het document. Pas wanneer ze uit de gevangenis wordt geleid en in de laadbak van een truck wordt geduwd, beseft ze dat de winter is verdwenen, dat de lente nooit heeft bestaan en dat het zomer is. Hoewel de warmte van de zon haar verkilde lichaam koestert, haar lichaam dat nog leeft, doet de schittering ervan pijn aan haar ogen. Voordat ze de kans heeft gekregen om zich te acclimatiseren, komt de truck abrupt tot stilstand. Daar, voor haar, staat weer een treinwagon, onderdeel van een roodgeverfde veetrein.

‘Cilka’s Keuze’ van Heather Morris (Harper Collins, € 20,99). 

2
rv

Reacties

Alle reacties worden voor publicatie gelezen -en goed- of afgekeurd- door het moderatie-team van HLN. Elke reactie moet voldoen aan deze gedragsregels.
Je naam en voornaam verschijnen bij je reactie.

Lees meer