Vrijwilliger nieuwe stijl

Zelfontplooiing, gezond egoïsme, eigenbelang, individualisme... De trendwoorden van het moment doen geloven dat we leven in een maatschappij waarin we alleen aan onszelf denken. Onderzoekster Lesley Hustinx vindt van niet: 'Individualisme is geen egoïsme.' Om het altruïsme in de kijker te plaatsen, riepen de Verenigde Naties 2001 uit tot het internationale Jaar van de Vrijwilliger. Nelly en Rachid gaven alvast het goede voorbeeld.

De tante die haar leven opoffert voor het welzijn van haar zieke moeder. De idealist die elke week trouw aanwezig is op de vergadering van de hobbyclub en de leden jaar na jaar met zijn breedste glimlach verwelkomt. Of de studente die belangeloos sinaasappelen verkoopt ten voordele van een of ander goed doel. Bestaan ze nog of zijn ze een uitstervend ras? Als we het gangbare maatschappijbeeld mogen geloven, vind je ze steeds minder. Door de individualisering van de maatschappij zouden nog weinig mensen bereid zijn hun medemens belangeloos te helpen. Vooral 'de jeugd van tegenwoordig' moet het vaak ontgelden. Na de generatie X zou de Zzzzz...-generatie - de slaapverwekkende generatie - zijn ontstaan. Of de generatie-me, myself and I: anoniem, a-politiek, egocentrisch, onverschillig en materialistisch.

Hoe altruïstisch zijn we nog?

'Onterecht', zegt Lesley Hustinx, die sinds '97 werkt bij het Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek Vlaanderen, dat verbonden is aan het departement Sociologie van de KULeuven. Ze doet een proefondervindelijk onderzoek naar nieuwe stijlen van vrijwilligheid in Vlaanderen. 'Het klopt dat er door de individualisering sprake is van een teloorgang van de klassieke vrijwilliger, van de echte gemeenschapsmens die eeuwige trouw zweert aan de onvoorwaardelijke inzet voor anderen en die van het vrijwilligerswerk meteen ook zijn levenswerk maakt. De man of vrouw op wie de organisatie in alle omstandigheden kan rekenen, vind je tegenwoordig nog zelden. Vrijwilligerswerk is niet langer puur altruïs-tisch. Mensen werken op een andere manier voor het goede doel: minder langdurig en minder beperkt tot één organisatie. Maar daarom niet met minder engagement.'
En dat blijkt ook uit de cijfers. Een op vijf Vlamingen zou zich regelmatig, vrijwillig en onbezoldigd inzetten voor anderen of voor de samenleving. Dat is in vergelijking met Nederland en de Verenigde Staten een gemiddelde score, maar toch ook niet bedroevend.
'Er zijn niet minder mensen die elkaar helpen dan vroeger. Ze helpen gewoon anders', zegt Hustinx. 'Vrijwilligers willen zich niet meer binden. Ze eisen flexibiliteit. Ze zijn kieskeurig en berekend en willen aan hun inzet voor anderen zelf ook wat hebben. Ze willen zich enkel engageren voor concrete en kort lopende projecten en kiezen vaak voor trendy thema's. De 'gewone' vrijwillige inzet voor ouderen, zieken en gehandicapten is minder populair dan de hot issues zoals de Buddy-projecten voor aidspatiënten, Tele-onthaal of palliatieve zorg. De bereidheid om anderen te helpen is voortaan gerelateerd aan persoonlijke interesses. We moeten gewoon af van het beeld dat iemand die iets doet voor een ander, dat onbaatzuchtig, onzichtbaar of onopvallend moet doen. De maatschappij is veranderd. Mensen hebben meer keuzemogelijkheden. Ze blijven wél op zoek naar een gevoel van verbondenheid. Kortom, het moderne altruïsme staat nu meer voor een combinatie van solidariteit en zelfontplooiing.'

Inzet

Dat betekent echter niet dat de vrijwilligers van vroeger er niet meer zijn. Onlangs nog huldigde de stad Gent enkele medewerkers die zich al jaren onbaatzuchtig inzetten voor anderen. Een van de gehonoreerden was een energieke dame van 94 jaar die al dertig jaar als vrijwilliger werkt voor de bezoekers van een clubhuis voor senioren. Ook Nelly en Rachid zijn vertrouwd met de ontroerende combinatie van engagement, opoffering én bescheidenheid.

Nelly:
'Voor mijn kleinkind doe ik alles'


Twee jaar geleden redde Nelly Geeraert (47) het leven van haar toen 13 maanden oude kleinzoontje Dylan door een stukje van haar lever af te staan. Ze moest maandenlang het ene onderzoek na het andere ondergaan en tijdens die periode ook nog eens twintig kilo afvallen. Dylan is nu 3 jaar en een droom van een kind. Dankzij Nelly kan hij normaal opgroeien en doet hij alles wat een gezond kind van zijn leeftijd kan. 'Het was de moeite waard', zegt Nelly. 'Natuurlijk heb ik er ook mezelf voor een deel mee verblijd, maar voor mijn kleinkinderen doe ik alles.'
'Nee, ik heb geen moment getwijfeld', vertelt Nelly. 'Ik wou wel weten wat de gevolgen voor mij zouden zijn. Maar als ik op die manier mijn kleinzoon zou kunnen redden, was ik tot alles bereid. De dokters zochten nog naar een andere donor, maar toen ze die niet onmiddellijk vonden, bleek ik de enige geschikte kandidaat. Wat doe je dan? Toch niet je ogen sluiten, zeker? Zonder donor zou Dylan gestorven zijn. Dan denk je geen twee keer na.'
Nelly had al zes kleinkinderen toen er op 30 december 1997 nog eentje bij kwam. Dylan was een leuk jongetje van drie kilo. Alles ging goed, tot hij een paar weken na de geboorte nog altijd een geelachtige kleur bleek te hebben. De diagnose was vlug gesteld: Dylan was geboren zonder galwegen, waardoor de gal niet kon afvloeien in de lever. Toen hij amper zes weken oud was, werd hij voor de eerste keer geopereerd. Op de plaats waar normaal de galwegen uit de lever komen, werd een deel van de darm bevestigd. Zo zou Dylan misschien kunnen verder leven tot hij oud genoeg was voor een orgaantransplantatie. De ziekte was echter zo ver gevorderd dat de operatie geen oplossing bracht. Dylan ging zienderogen achteruit. Hij leefde alleen op sondevoeding en was om de haverklap ziek. Van dat moment af werd gezocht naar een donor die hem een stukje lever zou kunnen geven.

Even schrikken

Alleen oma Nelly en papa Hans kwamen in aanmerking. Aangezien Nelly nooit had gerookt en zelden alcohol had gedronken, terwijl papa wel eens een sigaretje durfde roken en een pintje drinken, was zij de meest geschikte kandidaat. Bovendien had ze ook dezelfde bloedgroep als haar kleinzoon.
'Het was wel even schrikken toen de dokter belde om te vragen of ik donor wou zijn', geeft Nelly toe. 'Maar lang heb ik er niet over moeten nadenken. We werden bovendien ongelooflijk goed opgevangen. De dokters legden haarfijn uit wat er allemaal ging gebeuren. Daardoor hadden we er het volste vertrouwen in. Alleen de voorbereidingen waren zwaar. Elke week moest ik twee, drie, soms vier keer naar het ziekenhuis voor allerlei tests en onderzoeken. Bovendien was ik te dik en moest ik ook naar een diëtiste. Nee, die vier maanden voor de operatie waren geen pretje. Bovendien leef je altijd een beetje in onzekerheid. Zal het lukken? Zal het niet lukken? Ik moest volledig klaar zijn op het moment dat Dylan dertien maanden zou worden of ten minste acht kilo woog.'
Op 1 maart 1999 was Nelly klaar om samen met Dylan onder het mes te gaan. De operatie zou maar liefst 17 uur duren. Niemand kon op voorhand zeggen of het lichaam van Dylan het stukje lever van zijn oma zou aanvaarden. 'Maar het was ongelooflijk', zegt Nelly duidelijk ontroerd. 'Van het ene moment op het andere werd hij gewoon een andere jongen. De dokters hadden gezegd dat hij waarschijnlijk nog drie tot vier maanden in het ziekenhuis zou moeten blijven om te herstellen. Maar na drie weken kon hij al naar huis. Springlevend!'
Alleen met Nelly ging het niet zo goed. Na de operatie kreeg ze pijn en traden er complicaties op. Veertien dagen later moest ze opnieuw geopereerd worden. 'Leuk was dat niet', zegt ze. 'Maar het feit dat Dylan zo goed herstelde, gaf me moed. Ik had het niet voor niets gedaan, dus kon ik nog wel even doorbijten.'
'Sindsdien is ook met mij alles goed gegaan. Een lever groeit opnieuw aan. Volgens de dokters is hij al na een paar weken weer volgroeid. Ik heb nergens last van en ben vooral blij dat het zo goed gaat met Dylan.'

Speciale band


Of ze nu trots is op zichzelf? 'Ach', zegt ze bescheiden, 'ik vind niet dat ik iets speciaals heb gedaan. Voor familie doe je toch alles. Ik denk dat iedereen hetzelfde zou doen. Bovendien is het een heel leuk gevoel: in kleine Dylan leeft een stukje van mij voort. Dat schept een heel speciale band tussen ons. In het ziekenhuis hebben ze gezegd dat hij zich heel veel aan mij zal hechten. Hij is nu nog te klein om te beseffen wat er allemaal is gebeurd. Toch zie je al dat hij heel graag bij mij komt. Ik heb nu negen kleinkinderen, maar de band die ik met Dylan heb, is heel speciaal. En dat gevoel zou ik voor geen geld van de wereld willen missen.'

Rachid:
'Voor de toekomst en het geluk van onze kinderen'


Rachid Bouzarmat (43) kwam op zijn zestiende naar België. Hij werkte in de steenkoolmijnen in Maasmechelen en werd van dichtbij geconfronteerd met communicatieproblemen en vooroordelen tussen Marokkanen en Belgen. Nu zet hij zich als vrijwilliger in om de westerse en Marokkaanse wereld dichter bij elkaar te brengen. Hij geeft voordrachten en infosessies over racisme. In 'De Sleutel', een opvangtehuis voor drugsverslaafden, werkt hij mee aan drugshulpverlening en introduceert hij mensen in de wondere wereld van theeceremonies, Marok-kaanse huwelijken en Maghrebijnse muziek.
'Wat is het verschil tussen een Belg en een Marokkaan?' vraagt Rachid terwijl hij een sigaret opsteekt. 'Religie. Alleen religie. En dat bepaalt de cultuurverschillen. Marokkanen zijn islamieten, maar het enige wat de mensen daarvan zien zijn hoofddoeken, baarden, rituele slachtingen en fundamentalisme. Dat heeft echter helemaal niets te maken met de Islam. Islam is vrede. Wie spreekt over moorden is geen islamiet. In elke cultuur heb je goede en slechte krachten. Ook in België zijn er mannen met een baard en vrouwen met een sjaal op hun hoofd. Waarom kunnen we beide kanten niet gewoon aanvaarden? Respect hebben voor elkaar en elkaars cultuur?'

Levensverhaal

Rachid Bouzarmat is een gedreven man. Gedreven door de cultuur waartoe hij behoort en door de ervaring die hem geleerd heeft.
'Ja, het doet soms pijn als je ziet wat over ons gezegd en geschreven wordt, maar wat kan je eraan doen? Als mensen geloven wat ze willen geloven, kan je weinig veranderen. Zelf kan ik dat ook niet. Ik probeer alleen om de beeldvorming rond allochtonen een beetje te milderen. Natuurlijk zijn er problemen, die zijn er overal en met iedereen. Men moet echter ook de achtergrond een beetje kennen. Dat is ook zo in de drugshulpverlening. Een hulpverlener moet de cultuur begrijpen om te weten wat er fout gaat. Anders ontstaan er communicatieverschillen en misverstanden. Je wordt niet zomaar drugsverslaafd; achter elke verslaafde zit een heel levensverhaal.

Het beloofde land

Rachid weet waarover hij praat. Toen hij amper vijf jaar was, trok zijn vader naar België om in de steenkoolmijnen te werken. In Marokko had het gezin Bouzarmat het best goed maar in het beloofde land België zou hij meer geld kunnen verdienen. De Belgische regering voerde in die tijd een grote campagne om mensen naar hier te lokken. Rachid bleef met zijn moeder, broers en zussen achter in Marokko. Tot hij zestien werd. Dan vond vader Hassan het tijd om ook zijn oudste zoon naar België te halen om hem hier te laten studeren. Want 'wie gestudeerd heeft, komt verder dan de steenkoolmijnen'.
'Eerst wou ik niet', vertelt Rachid. 'Ik had mijn leven opgebouwd in Marokko. Mijn vrienden en familie woonden daar. Ik wou helemaal niet weg. Maar mijn vader zette door en ik gehoorzaamde. Misschien is het toch zo slecht niet, droomde ik: een groot huis, een eigen kamer, een eigen bureau.' Maar de realiteit viel tegen. Vader Hassan woonde op een kamertje van drie op vier meter, met amper een tafel, een paar stoelen en een bed. Voor mij was dat een complete shock. Weg droom van een kasteel in het bos, weg droom van een eigen kamertje.'
'Ik was hier niet gelukkig', geeft Rachid toe. 'Ik verlangde naar Marokko, draaide voortdurend Marokkaanse muziek. Ik behaalde wel mijn diploma mechanica, maar verder studeren lukte niet, zodat ik toch in de steenkoolmijnen terechtkwam. Ik was trouwens niet de enige. Velen maakten hetzelfde mee. Ze stortten zich in alcohol of in drugs om hun problemen te vergeten, om hun heimwee te verdrijven. Ik heb het van dichtbij meegemaakt. Daarom wou ik mij vrijwillig inzetten om allochtonen te helpen.'

Rijke generatie

Rachid vertelt zijn verhaal keer op keer tijdens zijn voordrachten. Aan kinderen in de vorm van verhaaltjes, bij gedetineerden op een kordate, krachtige manier. 'Ik wil mensen de ogen openen, hen laten inzien van: jongens, jullie zijn verkeerd bezig. Ik hou altijd mijn eigen kinderen voor ogen. Voor hen wil ik het doen, voor hun toekomst en geluk. Zij behoren tot de derde generatie allochtonen. En dat is een rijke generatie, alleen beseffen ze het zelf soms niet. Zij kunnen de beste kanten uit beide culturen halen. Dat probeer ik duidelijk te maken. Als ik ze daarmee kan helpen, graag. Mocht ik een tweede kans krijgen, zou ik mijn hele leven lang andere mensen helpen. Ik ben nu 43, ik doe dit nog maar een paar jaar. Ik heb dus heel veel tijd verloren. Maar het geeft ongelooflijk veel voldoening. Het is mijn doel voor de toekomst. De wereld kan ik niet veranderen, de mensen ook niet, maar misschien kan ik hen uitleggen dat wij ook maar mensen zijn die gelukkig willen leven en genieten van de kleine dingen van het leven.'

Door Sylvie D'Hoore
Goed Gevoel, juni 2001

Lees meer