Didier Louwette in een 'hoogzit', een constructie die hem zo'n drie meter boven de grond plaatst en gebruikt wordt als schietbasis.
Foto Coenen Didier Louwette in een 'hoogzit', een constructie die hem zo'n drie meter boven de grond plaatst en gebruikt wordt als schietbasis.

"Dankzij ons loopt er nog wild rond. Klein én groot"

Jager pareert kritiek op het schieten van 56 everzwijnen

Jagers hebben eind vorige week 56 everzwijnen geschoten in Hechtel-Eksel. Noodzakelijk, want de populatie is er dramatisch gegroeid, met alle bijhorende overlast. Toch keerde de publieke opinie zich opnieuw massaal tegen de jagers. "Mensen begrijpen de jacht niet meer, maar het is net dankzij ons dat er nog zoveel klein én groot wild rondloopt", zegt Didier Louwette (36).

Waar de jacht een halve eeuw geleden nog volkomen normaal was in ons land, hangt er tegenwoordig steevast een negatieve connotatie aan vast. Wie jaagt, durft daar bijna niet meer publiekelijk voor uitkomen. 'Het zijn moordenaars' of 'ze hebben geen hart': vooroordelen die maar vaak hun deel zijn. Maar klopt dat ook? Niet zo volgens Didier Louwette uit Zepperen, die vorige week zaterdag zelf vijf van de 56 everzwijnen schoot.

Het werd een groot succes genoemd, die jachtpartij. Voor velen klonk dat vreemd.

"Misschien wel, maar de populatie everzwijnen is in die regio echt problematisch groot. In een gebied van zo'n 2.000 hectare hebben we op één dag ongeveer 250 dieren geteld. Dat is énorm veel. Zo'n drijfjacht is dan het enige wat werkt, ook al is het niet meteen de mooiste vorm van jagen. Eigenlijk is het pure verdelging."

Is dat niet saai, zo uren wachten tot er een zwijn passeert?

"Zeker niet. Via loting krijgen zo'n 25 jagers hun post toegewezen. We zitten dan verspreid, op ongeveer driehonderd meter van elkaar. Iedereen krijgt een 'hoogzit', waardoor je zo'n drie meter boven de grond zit. Een twintigtal drijvers 'duwt' dan als het ware de groep everzwijnen onze richting uit, met de jachthonden voorop. Je zit daar dan helemaal alleen in je torentje, volledig geconcentreerd - al hebben we wel contact via walkie-talkies. Maar zodra er iets ritselt tussen het groen, of je de honden in de verte hoort aankomen, weet je dat de kans groot is dat er een groep everzwijnen aan zit te komen. Dat geeft een adrenalinestoot, hoor."

En dan? Gewoon aanleggen, schieten en raak?

"Het wordt bijna wiskunde. Zo'n everzwijn haalt in volle spurt een snelheid van 50 kilometer per uur. Als het dier evenwijdig met jouw positie loopt, moet je er dus pakweg anderhalve meter vóór schieten. De kogel verlaat de loop met een snelheid van 800 meter per seconde, dus het komt neer op de milliseconde. Ik heb die dag zeven schoten gelost, en vijf keer raak getroffen. Als je zo'n dier in de flank raakt, is het ook vrijwel op slag dood."

Begrijp je dat veel mensen tégen de jacht zijn?

"Het probleem is dat velen niet weten hoe die wereld werkt. Net zoals veel jongeren niet beseffen dat hun stukje vlees of glas melk ook afkomstig is van een varken of koe. Jaarlijks worden op de Belgische wegen bijna 2.500 reeën doodgereden. Je wagen is dus ook een potentieel jachtwapen. En er zit nu eenmaal wild in ons land - naast everzwijnen bijvoorbeeld ook vossen of herten - dat geen natuurlijke vijand heeft. Dat is altijd zo geweest. Mochten we morgen stoppen met jagen, dan zou de fazant uitsterven omdat de vos 'zich dan helemaal kan laten gaan'."

Hoor ik nu een jager die dankbaarheid vraagt?

"Boeren die hun akkers vernield zien worden door everzwijnen of bosduiven zijn ons dankbaar, ja. Maar er komt zoveel meer bij kijken dan schieten alleen. Hier in Zepperen beheren we met een aantal jagers een gebied van 600 hectare groot. We onderhouden het gebied en voederen de dieren van januari tot eind september. Kraaien en eksters houden we weg, terwijl we het aangenaam maken voor klein én groot wild. Op 1 oktober start dan het jachtseizoen, en pas dan komt er een geweer aan te pas. In die drie maanden jaag ik eigenlijk maar dertig dagen. We schieten op kleinwild, zoals hazen, fazanten en bosduiven. Maar we schieten niet zomaar op alles wat beweegt. Een reebok van vier jaar jong schiet ik niet. Net zomin als een zeug met jongen - dat krijg ik niet over mijn hart. Ik heb ooit bij slechte zichtbaarheid op een zeug geschoten. Pas na het schot zag ik de jongen lopen. Daar ben ik twee dagen niet goed van geweest."

Jagen wordt meestal doorgegeven van vader op zoon. Ook bij jou?

"Inderdaad. Mijn zoontje van vier gaat ook al mee. Hij zit dan naast me - met oorbeschermers op. En hij vindt dat geweldig. Mijn vrouw is afkomstig uit Hongarije en haar vader is ook jager. Meerdere keren per jaar trek ik erheen om te jagen. Zij begrijpt goed waar ik mee bezig ben, en geeft me daar ook alle vrijheid in."

Hoe zie je de toekomst van de jacht in ons land?

"In Vlaanderen zie ik het ooit verdwijnen, vrees ik. In Wallonië zeker niet. Maar ik zou niet zonder kunnen, het is mijn grootste liefde. Het is pure ontspanning, in een oase van rust. Op de trofeeën aan mijn muur ben ik fier, ja. Elk gewei is een herinnering die ik met een goed gevoel bovenhaal."